Onze Visie

Onze visie

Inleiding

Principes

Vervolgonderwijs

Criteria Feuerstein

A.     Inleiding

1. Wat bedoelen wij met ervaringsgericht methodeonderwijs?

In de ervaringsgerichte middelbare school moet de totale persoonlijkheid van elke leerling zo lang mogelijk ten volle aan bod kunnen komen en verder gevormd worden. Een brede, veelzijdige ontwikkeling behelst het aanscherpen van cognitieve capaciteiten maar evenzeer en gelijkwaardig hieraan het stimuleren van sociale vaardigheden, van het ethisch leren denken, van het lichamelijk welbevinden, van de praktische, 'handmatige' bedrevenheid en van de zin voor schoonheid in de breedst mogelijke betekenis. De samenhang van al deze elementen bepaalt hoe iemand in de wereld staat, bepaalt het zelfbeeld en het mensbeeld. De school wil ernaar streven om deze elementen zo harmonieus mogelijk met elkaar te verweven.

2. ASO en methodeonderwijs

Een leerling kan niet in alles even goed zijn, elk heeft zijn talenten, zijn aanleg, zijn interesses maar de school moet erover waken dat het temperament, de cognitie of de motorische sterkte van een leerling geen aanleiding geven tot een al te eenzijdige ontwikkeling. De middelbare school mag de individualiteit van een leerling niet verwaarlozen, moet ze zelfs zo veel mogelijk stimuleren, maar wil terzelfder tijd compenserend werken op die terreinen waar de leerling minder sterk staat. Daarom is het van belang dat specialisatie zo lang mogelijk uitgesteld wordt, tot op het moment dat leerlingen effectief wat meer zicht beginnen te krijgen op de specifieke maatschappelijke rol die ze later op willen nemen. Tot op dat moeilijk vast te pinnen moment kan het middelbaar onderwijs best zo algemeen mogelijk blijven, mét aandacht voor differentiatie.

3.De leerkracht als mediator

Een leerling kan niet in alles even goed zijn, elk heeft zijn talenten, zijn aanleg, zijn interesses maar de school moet erover waken dat het temperament, de cognitie of de motorische sterkte van een leerling geen aanleiding geven tot een al te eenzijdige ontwikkeling. De middelbare school mag de individualiteit van een leerling niet verwaarlozen, moet ze zelfs zo veel mogelijk stimuleren, maar wil terzelfder tijd compenserend werken op die terreinen waar de leerling minder sterk staat. Daarom is het van belang dat specialisatie zo lang mogelijk uitgesteld wordt, tot op het moment dat leerlingen effectief wat meer zicht beginnen te krijgen op de specifieke maatschappelijke rol die ze later op willen nemen. Tot op dat moeilijk vast te pinnen moment kan het middelbaar onderwijs best zo algemeen mogelijk blijven, mét aandacht voor differentiatie.

 

B.     Een aantal principes schragen het ervaringsgericht leren

1.De school als onderzoeksgemeenschap

Degelijk ervaringsgericht onderwijs is probleemstellend. De klas is een soort onderzoeksgemeenschap, waar nieuwsgierigheid en zin voor ontdekking, probleemoplossend vermogen tegelijk middel en doel vormen. Verwondering en emotionele betrokkenheid zijn absoluut noodzakelijk om te kunnen leren en moeten alle kansen krijgen. Verwondering werkt motiverend, inzichtverrijkend én beklijvend.
De leraar begeleidt en medieert dit onderzoeksproces. Zo ontwikkelen de kinderen een reflex om het eigen denken te ontdekken en te sturen, te reflecteren over het eigen leren en denken (metacognitie). Op deze manier kunnen kinderen actief een goed gestructureerd kennisbestand opbouwen.

2.Leren is ‘zelf doen’

Leren is een actief proces dat inzicht bevordert in achterliggende kennisstructuren, wat minstens even belangrijk is als de kennis zelf. Kennis vind je in naslagwerken, kennisstructuren moet je aanleren door zelf te exploreren, door eigen opbouwwerk en herhaling, door te reflecteren. Wie vragen stelt, eigen bevindingen doet, daarover leert te reflecteren, rapporteren en evalueren, ontwikkelt bovendien een autonome, kritische manier van denken en zin voor creativiteit.

3.Leren is ‘van anderen leren’

De samenspraak en de samenwerking tussen de leerlingen is voor de intellectuele en emotionele, dus cognitieve ontwikkeling even belangrijk als de samenspraak tussen leerlingen en volwassenen.Dit is zichtbaar in onze manier van werken: in onze schoolorganisatie: heterogene groepen, modules, projecten, leeftijdsdoorbrekende groepen, extra muros, toonmomenten, de band, middagsport, Groenhout bib, ...

We moedigen zo de leerlingen aan om initiatief te nemen, meningen uit te wisselen en elkaar te bevragen en samen te werken.Dit geeft leerlingen ook voldoende gelegenheid om de ‘betrekkelijkheid’ van hun eigen gezichtspunten in te zien.

4.Leren gaat over het leven, over samenleven

De school is een democratisch collectief. Leraars en leerlingen mogen nooit het gevoel verliezen iets te kunnen betekenen voor anderen.Het is belangrijk een bevredigend evenwicht te vinden tussen de eigen noden en gemeenschapsbehoeften.Met het oog op een humane en rechtvaardige wereldorde willen we de leerlingen helpen hun ervaringen te ordenen in de geschiedenis en de wereldrealiteit.

Het gesprek dient als basishouding gehanteerd te worden binnen de school. Het gesprek tussen de leerkracht en de leerlingen, maar ook en vooral tussen de leerlingen zelf, waarbij kansrijk en respectvol omgegaan wordt met de onderlinge verschillen, ten bate van de groep en van het individu. De individuele verschillen mogen binnen de leercontext niet als een last gezien worden, maar als een mogelijke bron van verrijking...

De werking van de ervaringsgerichte middelbare school steunt dan ook op velerlei formele en informele overlegstructuren om jongeren inspraak te geven in het leeraanbod, om manieren van handelen vast te leggen, om conflicten te regelen, om gezamenlijk bindende afspraken te maken, om te leren samenwerken en een 'politieke' houding te ontwikkelen in reële situaties. De uitnodiging tot en het belang dat gehecht wordt aan empathie en samenwerken, bevorderen op hun beurt de neiging tot ethische reflex.

5.Leren is ‘eigen antwoorden geven’

Antwoorden van leerlingen weerspiegelen het denkstadium waarin de leerlingen zich bevindt.Leraars en ouders moeten dus energie steken in het observeren van wat de lerende al weet en hoe hij redeneert.

Dat kan door op een open manier situaties te verkennen, geschikte vragen te stellen om zo de leerlingen te helpen nieuwe kenstructuren te ontwikkelen. De leraar moet dus appelleren aan de ‘zone van de naaste ontwikkeling’.

De leerlingen uitdagen om te ‘denken op een hoog niveau’ is de kern van alle activiteiten. (Piaget)

We verwijzen hierbij uitdrukkelijk naar de mediatiecriteria van Feuerstein als basishouding voor leraars.

6.Leren is ‘zelfstandig zijn’ en ‘samenwerken’

De nadruk ligt op de ontwikkeling van werkelijke autonomie binnen een totaal samenwerkingsverband.Dit geldt zowel voor de leraars als voor de leerlingen.

Wie leert samenwerken en daarbinnen een moraliteit ontwikkelt bouwt aan cognitieve structuren.

De school als democratisch collectief veronderstelt eigen initiatief en experiment, overleg en eindverantwoordelijkheid.

7.Leren is ‘dicht bij je lichaam blijven, je goed in je vel voelen’

Het hoofd moet goed en stevig verbonden zijn met het hele lichaam. Binnen de leeftijdsgroep van twaalf- tot achttienjarige is het fysieke zelfbeeld een belangrijke zorg. Er is niet alleen de eigen lichamelijke verandering en de toenemende sociale druk in verband met eet- en drinkgewoonten, maar ook het groeiende besef dat de maatschappij ideale vormen en maten naar voren schuift en druk uitoefent op wie fysiek afwijkt van het gangbare.

Het is noodzakelijk dat leerlingen de taal en de vraag van hun lichaam leren doorgronden en in hun voordeel leren aanwenden om een evenwichtig zelfbeeld te verwerven en zich goed in hun nieuw vel te voelen. Podiumactiviteiten, sportbeoefening, niet-publieksgerichte lichaamsbeweging of andere vormen van fysieke expressie bieden gelegenheden om te werken aan de ontwikkeling van een evenwichtig zelfbeeld.

8.Leren is ‘in de wereld zijn’

Aandacht voor de totale persoon betekent dat binnen de school een zo ruim mogelijke kijk op de wereld heerst. Er moet plaats zijn voor engagement en cultuur. Naast omgang en confrontatie met het reële maatschappelijke gebeuren, moet een andersoortige complexiteit aan bod komen die te vinden is in toneelvoorstellingen, in tentoonstellingen, in boeken, films, dans, muziek en manifestaties.

Een complexiteit die met schoonheid en emotionele waarneming én intellectuele verwondering én spitse verwoording én de breedst mogelijke context te maken heeft.

9.Levenslang leren

Alle leren kost tijd.Dit geldt ook voor de leraars.Bewust omgaan met je eigen leerproces geeft inzicht over het leren van kinderen.Congruent omgaan met de persoonlijke ontplooiing van de leraar draagt bij tot zijn vreugde en effectiviteit.

 

C.      De middelbare school: geen breuk met het lager onderwijs noch met het vervolgonderwijs

 

Om al deze principes in een middelbare school een plaats te kunnen geven, om de overstap van lager onderwijs naar de middelbare school harmonisch te laten verlopen, om het graag willen leren veilig te stellen houden we ons vast aan de volgende uitgangspunten.

- Kleinschaligheid staat voorop omdat de leerlingen zo het gevoel hebben dat de school van hen is en er meer tijd is voor elke lln individueel. Het is belangrijk om ook het aantal leerkrachten per klas zo veel mogelijk te beperken, omdat de noodzaak aan veelvuldig onderling overleg en een grondige kennis van de kinderen essentieel zijn.

- De communicatieve doorstroming van en naar de ouders is belangrijk. We rapporteren regelmatig en zoeken naar manieren om samen de opvoeding van hun kinderen te beschouwen. Dit altijd in samenspraak met de lln omdat de jongeren steeds meer hun eigen ontwikkeling in handen moeten nemen. De middelbare school wordt in grotere mate een school in zelfbeheer van de jongeren en de leraars.

Verder gelden grotendeels de pedagogische krijtlijnen van een ervaringsgerichte lagere school en de daar heersende schoolcultuur die gedragen wordt door hoffelijkheid, gelijkwaardigheid, respect voor anderen, ruimte voor ieders sterke en zwakke punten, betrokkenheid, zorgzaamheid, zin voor verantwoordelijkheid en voor zelfstandig denken en handelen. De concrete invulling van deze waarden staat in de schooleigens annex van het schoolreglement.

Bronnen: denkmiddelen-kit van Feuerstein, Website van ‘T speelscholeke

 

Bijlage: de mediatiecriteria van Reuven Feuerstein

Niet elke interactie tussen mensen kan beschouwd worden als een gemedieerde leerinteractie. Feuerstein heeft hiervoor twaalf criteria beschreven:

  • Intentionaliteit en wederkerigheid: je bedoelingen en redenen goed duidelijk uitleggen, stimuli selecteren en veranderen zodat ze zeker opgepikt worden door de persoon die gemedieerd wordt en er ook voor zorgen dat deze persoon deelneemt aan wat je hem aanbiedt als leerervaring.
  • Transcendentie: verder gaan dan het hier en nu en het beperkte behoeftesysteem uitbreiden.
  • Betekenis: een extra affectieve, sociale en culturele betekenis geven aan een woord, gebeurtenis, voorwerp en de waarde ervan expliciteren.
  • Gevoel van bekwaamheid: een positief zelfbeeld bewerkstelligen door de redenen van het resultaat en de processen die tot dat succes geleid hebben, expliciet te maken en door zowel objectieve als positieve feedback te geven.
  • Regulering en controle van gedrag: een kind werktuigen geven om een taak aan te pakken en voor te bereiden; het kind leren zichzelf te controleren zonder voortdurende externe begeleiding en een balans te vinden tussen zijn vertragende en versnellende neigingen.
  • Delen: ervaringen van 'delen' aanmoedigen en communicatiemiddelen ontwikkelen.
  • Individualiteit en psychologische differentiatie: zowel originele en creatieve antwoorden als individuele verschillen aanmoedigen en waarderen.
  • Doelgerichtheid, doelbepaling en planning: aanmoedigen dat ze voortdurend zelf op zoek gaan naar nieuwe doelen, doelgericht zijn en strategieën ontwikkelen om deze doelen te bereiken.
  • Uitdaging: aanmoedigen om op zoek te gaan naar nieuwe en complexe dingen en open te staan voor het onverwachte.
  • Bewustzijn dat de mens de mogelijkheid heeft tot verandering: bewustmaken dat iemand niet hetzelfde blijft maar kan veranderen.
  • Zoeken naar een optimistisch alternatief: leren kiezen voor een positief resultaat van een proces, zelfs als er geen a priori bewijs voor is, en leren zoeken naar tekens die alternatieve oplossingen bieden.
  • Gevoel ergens bij te horen: bewustmaken van de regels en karakteristieken die eigen zijn aan de verschillende groepen waartoe men behoort (familie, school, club, …).